Column: Geluksmomentjes

Mijn broer is geweest, samen met zijn dochter. Dat zijn altijd weer bijzondere momenten: familie of vrienden ontvangen en hen laten delen in het leven hier.

Door bezoek ga ik het alledaagse leven door de ogen van die ander bekijken. Dat heeft iets heel verfrissends. Ik zie opeens weer bewust die motor voorbijkomen met een levend varken op z’n bagagerek en de vrouwen met grote bananentrossen op hun hoofd. Ik ruik de frisse Afrikaanse geuren van de ochtend en ik merk opeens weer hoe slecht de wegen zijn. En ik geniet van de verrassing op het gezicht van die ander. En wat misschien nog wel belangrijker is: ik voel me begrepen. Want de ander ervaart wat ik zo graag wil delen: hoe het is om hier te leven.

Samen zijn we in het donker naar buiten gelopen, mijn broer en ik. Stampend, om de slangen te verjagen,  naar een plekje midden in de natuur. Zulke momenten zijn heerlijk. De rust, de ruimte, het diepe donker. En dan samen kijken naar de sterren. Nergens in Nederland zie je ze zoveel en zo helder. Prachtig! We hebben samen gekookt, gelachen, gezwommen en gepraat. En onze jongens hebben genoten van het contact met hun nichtje. Kostbare momenten.

Door de jaren heen is er al veel visite uit Nederland geweest. Mensen die we soms nauwelijks kennen, ‘duiken’ even helemaal in ons gezin. Het voelt vertrouwt. Is het de taal? De kaas en de hagelslag? Of de tijd die we voor elkaar hebben? Hoe dan ook: het samenzijn hier met familie, vrienden of kennissen is onvergetelijk.

En dan opeens is het voorbij. Zo gaat dat. Mensen komen, zijn even heel close, en ze vertrekken. Voor lange tijd. In het begin moest ik daar erg aan wennen. Want wanneer zou ik ze weer zien? Die gedachte kon dan zomaar een schaduw werpen op het mooie.

Dat is nu anders. Of nee, ik zeg het niet goed. Nog steeds komen er lieve mensen even ‘om een hoekje kijken’ en telkens nemen we weer afscheid. Maar ik erváar het nu anders. Ik weet nu dat ‘geluksmomentjes’ altijd weer voorbij gaan. Dat doet soms pijn. En dat mag ook.  Maar ik moet niet proberen om het krampachtig vast te houden. Er zijn méér mooie en leuke momenten te creëren, ook zonder familie en vrienden.

Dat doen we dan ook. We genieten volop als mensen komen. Maar als ze weer gaan, zwaaien we, doen een snik, zuchten nog een keer diep en dan roepen we: ‘Vanavond eten we pannenkoeken!’ Ziedaar, ons volgende geluksmomentje. En… de mooie herinnering blijft!

Deze column verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 16 november 2017.

Rubrieken: Algemeen, Columns | 3 reacties

Column: oordelen

Met een woedend gezicht stormde zoonlief naar binnen. Hortend en stotend kwam het verhaal eruit. Ons Tanzaniaans buurjongetje, zijn vriendje, deed iets verschrikkelijks. En ik moest daar NU DIRECT wat aan doen.
Ik ging mee. Want ook bij mij borrelden de emoties vanbinnen. Hoe kon hij dát nu doen: Vogeltjes doodschieten! Die vogeltjes, waar wij zo van genoten! Die zoveel schoonheid van Gods schepping laten zien. Zoiets doe je toch niet!? Hier moest ik ingrijpen.
Daar stond hij. De katapult in zijn hand. Met zijn grote donkere kijkers keek hij me oprecht verbaasd aan: ‘Wat doe ik verkeerd? Mag dit niet? Maar hoe kom ik anders aan vlees voor m’n hond?’
Mijn boosheid zakte weg. ‘Ja’, dacht ik, ‘hoe kom jij anders aan vlees voor je hond?’

Het overkomt me vaker. Ik zie iets gebeuren en denk: ‘Dit mag niet!’’, ‘Doe normaal!’, ‘Dit kan beter’. Ik heb mijn oordeel klaar. Vaak heeft het te maken met een botsing van culturen. Vanuit mijn Nederlandse of christelijke cultuur, denk ik: ‘Je doet het fout’. Maar die ander, met zijn cultuur, ervaart dit helemaal niet zo. Hoezo fout?

Zo’n botsing van culturen speelt niet alleen in Tanzania. Op een dieperliggend niveau gaat het om een probleem waar iedereen mee te maken krijgt: mijn idee tegenover jouw idee. Mijn normen tegenover jouw normen. Jouw kerk tegenover de mijne. En hoe gaan we daar mee om?
De makkelijkste manier om dit op te lossen is de ander – in stilte – veroordelen en jezelf vrijpleiten. Gewoon blijven denken zoals je altijd hebt gedacht. Blijven doen zoals je altijd hebt gedaan. Deze manier is eenvoudig, maar niet eerlijk. En het komt de relatie niet ten goede.
Een andere manier is de ander overtuigen dat jouw cultuur of jouw idee het beste is. Dat gebeurt – helaas – maar al te vaak binnen een zendingscultuur. We denken: onze kerkelijke cultuur is de beste. Zoals wij denken over kleding of liturgie, zo moet de ander ook gaan denken. Maar op deze manier maken we onze culturele principes tot een wet. En dat gaat ten koste van het Evangelie.
Er is een weg die veel uitnemender is. Als we stoppen met oordelen en beginnen met luisteren naar de ander, – echt en goed luisteren – dan komen we veel dichter bij elkaar. In gesprek gaan dus en eens rustig wat vragen stellen: ‘Waarom doe je dit eigenlijk?’, ‘Wat vind jij hiervan?’ De ander heeft er recht op om gehoord en begrepen te worden. Als we zo naast de ander gaan staan, dan ontstaat er ruimte voor relatie. En voor het Evangelie. Dat doet kracht.

Deze column verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 21 september 2017.

Rubrieken: Algemeen, Columns | Reacties uitgeschakeld voor Column: oordelen

Column: Thuisonderwijs

Sommige moeders zijn oprecht jaloers: ‘Wat moet dat geweldig zijn, je kinderen zelf lesgeven!’ Anderen krijgen er rillingen van: ‘Laat mijn kinderen alsjeblieft gewoon naar school gaan!’
Ik ril er af en toe ook van. Als onze jongens ’s morgens vroeg al door het huis stuiteren en elkaar in de haren zitten, dan wens ik dat ik ze op school kon afzetten om daarna thuis rustig een kop koffie te drinken. Maar zo werkt het hier niet. We moeten samen naar school, in een klein, warm lokaaltje. En dat gestuiter en geklier gaat gewoon mee de schooldeur in. En dan zeggen dat thuisonderwijs zo bijzonder is? Vergeet het maar!
Thuisonderwijs is gebrekkig. Het is soms tobben en zweten. Dan hebben de kinderen geen zin en ik geen geduld. Dan wil ik niet juf en moeder tegelijk zijn. Dan wil ik even géén kinderen om me heen.

Toch ben ik ook heel enthousiast. Thuisonderwijs is veelzijdig. Het is niet alleen lesgeven, maar ook nadenken over de vraag: ‘Wat is goed onderwijs?’ En dat is boeiend! Hoe leert dít kind het best? Welke vaardigheden zijn belangrijk? Wat is een goede leeromgeving? Ik lees erover, denk erover na en pas het – tastend en uitproberend – toe. Mooi is dat!
Maar de mooiste momenten gebeuren tijdens de les. Joël (groep 2) en ik hebben samen nagedacht over het heelal. We ontdekten hoe de planeten om de zon draaien, hoe de miljoenen sterren hun plekje in het heelal innemen, hoe een raket naar een ruimtestation vliegt en hoe de zwaartekracht ons op de grond houdt. En in dat onnoemelijk grote heelal is daar het ‘kleine’ bolletje aarde, met daarop het ‘kleine’ landje Tanzania en het nog kleinere huisje Karels… En boven dit alles leeft onze grote God, de Schepper. We waren diep onder de indruk.
Met de oudste twee jongens (groep 6/7) doe ik op dit moment een lessenserie over de Tweede Wereldoorlog. Ze weten al veel feiten. Maar we proberen een stapje verder te komen en denken na over belangrijke vragen: Waarom wilde Hitler zo graag de macht hebben? Hoe zou jij tegen Hitler aankijken als je een Duitse jongen was in die tijd ? Hoe zou jij een land regeren? Zou jijzelf Joden verbergen?
En dan gebeurt er iets moois. Ik zie de jongens ontwikkelen. We leren dat de wereld niet eenvoudig in te delen is in goed en slecht. We leren beter begrijpen dat de wortel van het kwaad ook in ons eigen hart leeft. We leren over vergeving. Ik koester deze momenten!
Ja, ik begrijp die jaloerse moeders wel…

Deze column verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 11 mei 2017.

Rubrieken: Algemeen | 3 reacties

Column: Vriendschap

Vriendschap is kostbaar. Het heeft te maken met  goede gesprekken, openheid en gezelligheid. Een goede vriend luistert, leeft en denkt mee en bidt voor je. Goede vriendschap werkt helend. Het is daarom goed om te werken aan vriendschap. Maar hoe doe je dat?

dscn5419cropDe tijd voor ons vertrek naar Tanzania was een  tijd van vriendschappen. Op de middelbare school, tijdens mijn studententijd, later toen we trouwden, binnen de kerk… steeds weer kreeg ik de gelegenheid om mensen te ontmoeten, om mooie gesprekken te voeren en om relaties aan te gaan. Er ontstonden vriendschappen.

Toen kwam ons vertrek. We lieten vrienden achter, maar ik dacht: ‘Ik ga op zoek naar mensen met wie ik me verbonden voel, mensen bij wie ik me op m’n gemak voel. Ik ga op zoek naar vrienden’. Maar dat viel tegen! De mensen om me heen waren anders dan ik dacht. De taal was anders en ik kon de juiste woorden niet vinden voor wat ik dacht en voelde. De cultuur was anders. Wat ik normaal vond, was opeens abnormaal. En wat anderen normaal vonden, vond ik vreemd. Ik wilde zelf vrienden uitkiezen maar ik had geen keus. Ik droomde van vriendschappen zoals ik dat gewend was. En ik miste ze.

Het klopte niet. Maar wat? Bonhoeffer gaf antwoord: ‘De persoon die zijn droom van gemeenschap liefheeft, zal gemeenschap vernietigen, maar de persoon die de mensen om hem heen liefheeft, zal gemeenschap creëren’. Vriendschap is méér dan alleen maar genieten van de omgang met gelijkgezinden. Het betekent ook een relatie aangaan met mensen die anders zijn dan ik. Belangstelling tonen voor mijn Tanzaniaanse buurvrouw. En voor die collega met wie ik ‘weinig heb’. Tijd nemen voor dat familielid dat niet in God gelooft. Oog hebben voor eenzame mensen om me heen. Vriendelijk zijn tegen degene die mij negeert.

Vriendschappen aangaan met mensen buiten ons eigen veilige kringetje is heilzaam. Het leert ons om kritisch naar onszelf te kijken en situaties  door een andere bril te bekijken. Om dan te beseffen dat onze visie lang niet altijd juist is. Dat maakt nederig. We leren geduld, omdat ‘vrienden maken’ tijd kost. We leren om minder snel te oordelen. Maar vooral:  we merken dat ‘liefhebben’ iets is wat we moeten leren omdat we van onszelf geen liefhebber zijn van de ander die écht anders is.

Maar… Als we zó werken aan vriendschap, dan gebeurt er iets tussen ons en de mensen om ons heen. Niet altijd even duidelijk of zichtbaar. Maar wel onmiskenbaar. Dan gaat Gods liefde schitteren door ons.  Dat laat de mensen om ons heen niet koud. En onszelf ook niet.

Deze column van Albertine verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 16 maart 2017.

Rubrieken: Algemeen | 2 reacties

Column: Lofprijzing

Onwennig sta ik tussen hen in. Zij zingen zonder enige reserve. Ik prevel met moeite de onbegrijpelijke klanken. Zij klappen met hun handen en wiegen met hun heupen. Ik klap voorzichtig mee, maar mijn heupen en benen staan stijf naast elkaar. Het is mijn eerste Tanzaniaanse kerkdienst, nu bijna acht jaar geleden, en ik kijk mijn ogen uit. De geluidsboxen staan op het hoogste volume, de drum roffelt er tussendoor en de mensen zingen luidkeels. Lofprijzing!

Maar ik twijfel. Vind ik dit mooi of niet? Het is zo anders dan ik gewend ben: psalm 42 op hele noten, langzaam en gedragen, met orgel. Al snel komen er meer vragen: is dit echte lofprijzing? Moet het nu zo, op deze manier?

David helpt me een beetje verder. Over hem lees ik: ‘David en het hele huis van Israel huppelden voor het aangezicht van de Heere, met allerlei muziekinstrumenten van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen’ (2 Samuël 6:5). David loofde God door gehuppel en muziek. Zoals de mensen hier, in Tanzania. Maar… het past niet bij mij.

Wat moet ik hier nu mee? Één ding is duidelijk: Een christen kan niet zonder lofprijzing. Maar wat is lofprijzing precies? En hoe doe je dat?

C.S. Lewis zegt het zo: Als we een mooi kunstwerk zien dan is dat bewonderenswaardig. Het dwingt bewondering af. En we zijn dom en ongevoelig als we het kunstwerk niet bewonderen. Zo is het ook bij God. Lofprijzen is iets zien en ervaren van Wie God is. In Zijn genade. Of in Zijn heiligheid. In Zijn macht of Zijn heerlijkheid. En dan borrelt de lofprijzing vanzelf op. Je zingt. Of je looft Hem in stilte. Hoe je het ook doet, je erkent het: Zo is God! En je wilt Hem hiervoor eren, met of zonder tranen; met of zonder dans. En dat geeft vrede. Geluk. Dát is lofprijzing.

Wie doet het nu beter? Die vrouw hier in Tanzania, met haar danspasjes en gewieg? Of die vrouw in Nederland, die zonder veel beweging meezingt met het orgel? Ik weet het niet. Ik hoef het ook niet te weten. God ziet het hart aan, niet ik. Maar als ze met mond én hart Hem prijzen, dán is het echte lofprijzing.

En ik? Moet ik meedansen of stil blijven zitten in de kerk? Het mag allebei. Eén ding mag niet: de ander veroordelen, door te zeggen: ‘jij prijst God niet op de juiste manier!’ Laat ik deze lofprijzing opvatten als een aansporing: ‘Loof de Heere!’ Waarom? ‘Want Hij is goed!’

Deze column van Albertine is gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad van 19 januari 2017.

Rubrieken: Algemeen, Columns | 2 reacties

Column: Mzee Tom

Mzee Tom is oud. Voor een Tanzaniaan zelfs heel oud. En daar is hij best een beetje trots op. Als ik hem vraag: ‘Mzee Tom, hoe oud bent u nu?’, dan zegt hij: ‘Ik ben van 1937. Hoe oud ben ik dan?’ 79. We kijken elkaar verbijsterd aan. Ne-gen-en-ze-ven-tig? We geloven het bijna niet. Met zijn gitzwarte volle bos haar, zijn prachtige rij tanden en zijn bijna rimpelloos gezicht geef ik hem nog geen 65. Zijn geboortejaar weet hij, maar zijn leeftijd niet. Want die verandert elk jaar. En rekenen, daar is Mzee Tom niet zo goed in. Lezen gaat ook moeizaam. En toch is hij voor ons een ‘juweeltje’.

We hadden een tuinman nodig en we ontmoetten Mzee Tom op straat, op zoek naar werk. Nee, ervaring met tuinieren had hij niet. Maar hij had wel jarenlang bij blanken gewerkt, als kok. Vol trots liet hij wat vergeelde en besmeurde papiertjes zien. Een Engelsman had hem in dienst van 1958 tot 1970. Hij kon hem van harte aanbevelen. Bij een familie uit Zwitserland werkte hij van 1970 tot 1985. Ook zij waren heel tevreden. En zo ging dat nog even door. Na tien minuten was ons ‘sollicitatiegesprek’ afgelopen. Mzee Tom mocht komen.

dscn5419cropInmiddels is Mzee Tom ‘met pensioen’. Maar wij denken nog vaak aan hem. Wij houden van hem. Niet omdat hij zo’n goede tuinman was. Was het zijn lach? Zijn trouw? Zijn hulpvaardigheid? Ja, dat ook allemaal. Maar vooral dit: Mzee Tom had – als christen – geleerd om verleidingen te weerstaan. Want verleidingen zijn er. Elke cultuur kent zijn verleidingen. In Tanzania is de verleiding groot om te stelen als je arm bent. Om lui te worden als werk niet wordt beloond. Om jaloers te zijn op degene die het beter heeft. Mzee Tom kende deze verleidingen. Maar hij weerstond ze. Hij was vrolijk, ondanks zijn armoede. Hij werkte hard, ondanks dat het weinig opleverde.

Mzee Tom laat me nadenken over mijn eigen verleidingen. Nee, ik ervaar hier niet de verleiding om te stelen. Wij hebben genoeg. Maar ik ken wel de verleiding om niet tevreden te zijn met wat ik heb. Om te denken dat anderen het beter hebben. Of om mensen te beoordelen, zonder dat ik eerst probeer om ze te begrijpen.

Het is niet gemakkelijk om verleidingen te weerstaan. Ze laten ons denken dat we iets te kort komen. Dat we gelukkiger worden als we hebben wat we nu missen. Maar we vergissen ons. Geluk ligt in tevreden zijn. Augustinus zei het zo: ‘Gelukkig zijn we als we hebben leren verlangen naar datgene wat we al hebben’. Dat is de theorie. Mzee Tom leert mij de praktijk.

 

Deze column van Albertine is gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad van 24 november 2016.

Rubrieken: Algemeen | 4 reacties

Column: De eerste stap

Door de intercom vertelt een heldere vrouwenstem dat we te maken hebben met turbulentie. Ik hoor nauwelijks wat ze zegt, maar ik weet precies wat ze bedoelt. Ik voel het tot diep in mijn maag. Het vliegtuig deint, mijn maag draait en m’n hoofd tolt. ‘Reisziekte’, heet dat.

Enkele reis ‘Schiphol – Dar es Salaam, Tanzania.’ Enkele reis. Geen weg terug dus. En waar we naar toe gaan is onbekend. Nooit eerder ben ik in Afrika geweest. Zelfs mijn vliegreisjes zijn op één hand te tellen. De turbulentie kruipt vanuit mijn maag verder. En ik voel de spanning. Wat staat ons te wachten?

dscn5419crop Ik probeer de uitzenddienst weer in herinnering te roepen: Mooie woorden, zegenende handen. Beloften. Het was bijzonder. Indrukwekkend. En tijdens die dienst wist ik het weer zeker: ‘Dit is onze roeping. Wij mogen naar Tanzania gaan om daar de Bijbel te vertalen voor mensen die Gods Woord nog niet hebben in hun eigen taal. En we hoeven dit werk niet alleen te doen. God gaat mee!’

Dat is nu zeven jaar geleden. En nog steeds zitten we in Tanzania. God ging inderdaad mee. Dat was Zijn belofte en daar houdt Hij Zich aan. Dat hebben we ervaren. Maar… ook die turbulentie bleef niet achter toen het vliegtuig landde.

Wat betekent het eigenlijk als God meegaat bij een ingrijpende stap in je leven?

Je moet een operatie ondergaan; je doet belijdenis, of je gaat – zoals wij destijds – de zending in. En God zegt: ‘Ik zal je niet begeven’, ‘Ik ben met je alle dagen…’

Toen wij naar Tanzania vertrokken, gaf deze zekerheid me rust. Maar die rust bleef niet altijd. Stress, spanning, angst, eenzaamheid. We kregen er mee te maken. En ik begreep het niet. Ik dacht aan de indrukwekkende verhalen van zendelingen. De strekking ervan leek me duidelijk. God dienen maakt toch gelukkiger? En dan is er, ondanks het lijden of de moeite, toch meer vreugde?

‘Ik begrijp je’, zegt David. ‘Ik was uitgeteerd, bijna bezweken. Ik weet nog veel beter dan jij wat angst is en hoe verlatenheid voelt’. ‘Ik begrijp het ook’, zegt Jeremia. ‘Ik ook, ik ook…’, echoot de stem van zoveel gelovigen. En boven al deze stemmen uit, zegt Jezus het Zelf: ‘Ik ook!’

Nee, als God bij je is, dan betekent dit niet dat je altijd vreugde, vrede of kracht in het lijden ervaart. Maar het betekent wel dat Hij met Zijn genade én met Zijn Geest nooit meer bij je weggaat (HC Zondag 18). En dat betekent dat je veilig bent. Geborgen. Hoe dan ook.

Is het donker? Houd moed. Want het licht komt terug. ‘Zie je uit naar het licht?’, vraagt Jezus. ‘Kijk dan naar Mij. Ik ben het Licht!’

En dan richten de gelovigen het hoofd op, en ze zeggen: ‘In Uw Licht zien wij het licht!’

 

Deze column van Albertine is gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad van 15 september 2016.

Rubrieken: Columns | 5 reacties

Geven en ontvangen

Er is een theorie binnen de psychologie, die zegt: bij (intieme, hechte) relaties van mensen is het belangrijk dat er een balans is tussen ‘geven en ontvangen’: Doe ik iets voor jou? Dan doe jij ook iets voor mij. Ben ik nu de gever? Dan wil ik straks graag de ontvanger zijn. Zo blijft de relatie in balans. Maar als jij degene bent die altijd moet geven en de ander ontvangt alleen maar, dan raak je op een gegeven moment opgebrand of uitgeblust. Of er begint iets te kriebelen van binnen. Het voelt niet eerlijk: ik geef jou wat, maar ik krijg niets terug. Laat op z’n minst zien dat je mijn geven waardeert!

Aan deze theorie moet ik denken nu we weer terug zijn in Tanzania en we terugkijken op ons verlof in Nederland. Wat is er veel om dankbaar op terug te zien. En vooral: wat hebben we ongelooflijk veel ontvangen! Sommige mensen hebben spullen gegeven om ons huis gezellig te maken, anderen hebben geholpen met de schoonmaak. Er was iemand die elke week de heerlijkste bolletjes en croissants kwam brengen van de bakker; mijn moeder deed elke week de strijk. We hebben prachtige boekjes en tijdschriften gehad voor de home-schooling. Iemand zocht en kocht alle jongenskleding voor me. We hadden super-oppas voor onze kinderen. En dan noem ik nu alleen nog maar het zichtbare. Maar daarnaast is er nog zoveel meer gegeven: mensen hebben naar ons geluisterd, meegedacht, gebeden, verteld, gesteund… Geweldig!

Maar… Nu zit me wel iets dwars. Hoe kan ik nu al die mensen die iets hebben gegeven op een gepaste, persoonlijke manier bedanken? Of even in termen van die theorie: Hoe krijg ik hier de balans terug tussen geven en ontvangen? Hoe ik ook nadenk, ik kom er niet uit. Het gaat me niet lukken om die balans te krijgen. Het kan niet anders of er zijn mensen die meer gegeven hebben dan dat ze hebben ontvangen van ons. En dat vind ik lastig.

Waarom eigenlijk? Waarom zijn wij mensen daar vaak zo gevoelig voor? Want dat we daar gevoelig voor zijn, heb ik meer dan eens ervaren. Ik heb gemerkt dat mensen het moeilijk of vervelend vinden als ze te weinig waardering krijgen voor hun geven. En dat begrijp ik heel goed. Als ik geef, wil ik op den duur ook graag wat terug ontvangen. Een voorbeeld: Vlak voor ons verlof naar Nederland was ik moe. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. En dat had hier alles mee te maken. Voor mijn gevoel had ik twee jaar lang veel gegeven. Als juf, als moeder, als collega. En ik zocht naar erkenning en waardering. Ik had behoefte aan ‘ontvangen’.

En toen kwam ons verlof. En – om maar met de woorden van David te spreken – mijn beker werd gevuld. Mijn beker vloeide over! Ik kreeg wat ik nodig had. En met deze volle beker ben ik weer terug gegaan naar Tanzania. Met het voornemen om alles wat ik gekregen heb, weer door te geven. Liefde, betrokkenheid, hulp, geld, kleding, aandacht…Iedereen die hieraan heeft bijgedragen wil ik bedanken. En wees er van verzekerd dat het verder reikt dan alleen ons als gezin. Want wat wij hebben ontvangen, geven we weer door naar de mensen die hier op onze weg geplaatst worden.

Niet iedereen is er even gevoelig voor om te ontvangen. Dat heb ik ook gemerkt. Er zijn mensen die onbaatzuchtig kunnen geven, geven en nog eens geven. En als je ze bedankt, dan wijzen ze (letterlijk of figuurlijk) omhoog: dank God! Deze mensen bewonder ik. Juist omdat deze houding niet vanzelfsprekend is. Het gaat tegen onze natuur in. Tegelijkertijd is het ook een heel christelijke houding. Misschien is het daarom wel zo moeilijk: Het is een christelijke houding die zelfverloochening vraagt. Ik denk aan de tekst uit Lukas 6: ‘Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is’ (Lukas 6:30).

Een christen geeft niet om er iets voor terug te krijgen. Een christen geeft om daarmee te laten zien wie God is. Dat zegt Matheus 5:16: ‘Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’. Mijn vrijgevigheid wijst dan op Gods vrijgevigheid. En mijn liefde laat dan iets zien van Gods liefde.

Dat is ferme taal, ik weet het. Maar toch geloof ik dat deze wetenschap kan helpen als mijn beker voor mijn gevoel weer leger raakt. Als ik het idee heb dat ik meer geef dan ik ontvang. Dan zeg ik: ‘Heere, ik laat die beker niet vullen door wat ik van anderen krijg. Ik laat hem door U vullen’. En dan kan ik er van verzekerd zijn dat mijn beker vol wordt. Overvloeit. Want bij God is een fontein van liefde. Van vreugde. En die fontein droogt nooit op. David, je hebt gelijk: ‘Wij worden verzadigd met de overvloed van Uw huis. U laat ons drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven. Want bij U is de bron van het leven. In Uw licht zien wij het licht’ (Psalm 36: 9, 10).

Rubrieken: Algemeen | 5 reacties

‘Mannendag 2015’

Een weblog schrijven over een mannendag is een tikkeltje riskant, zo niet ongepast. Ik als vrouw sta hier namelijk volledig buiten. Met veel genoegen en zonder enige jaloezie overigens. Ik vraag me zelfs af wie er tijdens een mannendag meer geniet: de vier mannen ver van huis, of ik hier thuis met ons kleine mannetje. Ik heb genoten van de rust, de kleine vaat en een avond waarbij er niet eerst grondig opgeruimd hoefde te worden.

Ik houd het dus bij een korte toelichting. De foto’s mogen spreken.

Maandag en dinsdag heeft Jacob met de oudste drie jongens de jaarlijkse mannendag gehouden. Voor de vijfde keer, dus het was zelfs een soort jubileum. De eerste vier keer was het alleen met Jonathan en Lukas. Deze keer was Joël groot genoeg. Hij mocht voor het eerst mee!
De regel is: als we in Nederland zijn, doen ze een uitje van een dag. Hier in Tanzania is het altijd een tweedaags uitje met een overnachting. Het is namelijk niet heel gemakkelijk om een uitje te bedenken, zonder speeltuinen, dierentuinen, mooie steden of musea. Dus maken ze het avontuurlijk door ergens anders te overnachten. En… eerlijk is eerlijk: wandelen in de rimboe en op zoek gaan naar watervallen die ergens verstopt zitten in de ongerepte natuur, dat heeft ook bijzonder veel moois te bieden. In combinatie met een nachtje kamperen in een tent, maakt dit een mannendag onvergetelijk!

Daar gaan we dan! Lopen over een simpel bruggetje. Niet naar het water beneden kijken....

Daar gaan we dan! Lopen over de brug  en niet naar het water heel diep beneden kijken!

 

De eerste waterval is gevonden!

De eerste waterval is gevonden!

 

 Nu van dichtbij!

Dat moeten we even vieren!

 

4 waterval nr 2

Yes, we hebben de tweede waterval ontdekt!

 

Tent opzetten bij de camping

Tent opzetten bij de camping

 

Hoera, onze tent staat!

Hoera, onze tent staat!

 

's Avonds lekker buiten eten.

’s Avonds lekker buiten eten.

 

Daarna even voetballen met kinderen uit de buurt

Daarna even voetballen met kinderen uit de buurt.

 

Dit soort dieren kunnen 's nachts aan de tent snuffelen...

Dit soort dieren kunnen ’s nachts aan de tent snuffelen. Onder andere panters en jakhalzen…

 

Brr... toch wel een beetje eng!

Brr… toch wel een beetje eng!

 

De volgende morgen naar een nieuwe waterval

De volgende morgen naar een nieuwe waterval

 

4b waterval nr

Deze is helemaal toppie. Je kunt hier achter de waterval in een                                                              rotsspleet lopen!

 

13b rotspleet

En daar lopen we dan… achter de waterval, in de rotsspleet. Links op de foto loopt Jonathan.

 

Tadaaaa!

Tadaaaa!

 

Drie van de vier mannen

Drie van de vier mannen.

 

15b zwemmen in het water

En dan nog even zwemmen onderaan de waterval.

 

Zo. Wij zijn weer wat meer 'mans' geworden door de mannendag.

Selfie. Zo. Wij zijn weer wat meer ‘mans’ geworden door de mannendag.

Rubrieken: Algemeen | 14 reacties

Stroom

Ik word wakker. En terwijl ik nog nauwelijks mijn ogen open heb, schiet de vraag al weer naar boven: ‘Is er stroom? Of is er geen stroom?’ Het is zo’n beetje mijn dagelijkse eerste ochtendvraag.

Even de schakelaar aan en ik weet het: Klik. Het blijft donker. Geen stroom vandaag. Meteen ben ik wakker en gaan mijn gedachten aan ’t werk: vandaag  geen strijk, geen wasmachine die draait, geen koelkast die werkt, geen waterkoker, geen warme douche, geen elektrische oven, geen vriezer die op temperatuur blijft… . Het wordt tobben vandaag met het huishouden. Ik zucht.

Dan pak ik mijn bijbel. Tijd voor stille tijd.

Ik lees, maar ondertussen denk ik aan de schooldag van vandaag. Geen stroom betekent: geen online lessen en geen voorbereidingen voor school, geen printer, geen kopietjes maken, geen internet voor wat dan ook maar en een computer die halverwege de dag leeg is. Ik slik.

Even later sla ik mijn bijbeltje weer dicht. En weer een zucht. Waar staan die woorden van licht nou in de Bijbel? Waar staan die woorden die ik nodig heb voor vandaag? Die mij helpen om dit – uiteindelijk toch maar kleine – probleempje ook klein te houden? Ik heb ze niet gevonden. Somber stap ik mijn bed uit.

Zo rond zes uur ’s avonds wordt het weer spannend. Blijft de stroom er vandaag de hele dag af of niet?  En dan om zeven uur: floep. De printer begint te ratelen, de koelkast begint te ronken (wat een  geluid; als muziek!) en de lichten gaan aan. Heerlijk, stroom vanavond! Dus de skype-afspraak met mijn moeder kan doorgaan, we kunnen gewoon normaal door het huis lopen zonder dat het overal donker is en ik kan snel nog een wasje draaien. De boiler kan aan voor een warme douche en ik kan mijn mobieltje weer opladen. Opgelucht haal ik adem…

 

Al twee maanden lang tobben we met extreem veel stroomuitval. Soms dagen lang van ’s morgens 7 tot ’s avonds 11 uur. Vijftig tot tachtig uur per week. Soms hebben we overdag wel stroom en ’s avonds niet. Soms weer andersom. Het blijft elk moment een verrassing.

We doen ons best om er zo goed mogelijk mee om te gaan. We proberen regelmaat in het probleem te ontdekken. Tja, dat is wat wij westerlingen doen. Maar het werkt niet. En toch trappen we er steeds weer in en proberen we het:

‘Oké, vandaag overdag was er geen stroom. Dan zal het er vanavond wel op zijn.’ Mis!

‘Vorige week dinsdag hadden we de hele dag wel stroom. Die week ervoor op dinsdag ook. Dan hebben we vandaag waarschijnlijk ook stroom.’ Mis!

‘Afgelopen week hadden we op maandagavond stroom. Misschien deze week dus ook wel.’ Mis!

Wanneer het probleem opgelost is? ‘Ik denk…’. Kijk, daar ga ik al weer. Ik wil weten wanneer dit akelige probleem is opgelost. Maar dat moet ik echt afleren. En leren om geduldig te zijn. Accepteren. Tevreden zijn.

Pittige lessen…

Wat ik me op dit moment vooral afvraag: waarom heeft dit probleem me zo te pakken? Waarom ben ik er zo door van slag? Want dat ben ik. Ik ben boos op de elektriciteitsmaatschappij die allerlei beloftes doet zonder ze waar te maken. Ik word somber als ik avonden achter elkaar in het donker zit.  Ik word knorrig naar de jongens om zo m’n innerlijke frustratie af te reageren.

En tegelijkertijd schaam ik me. Omdat ik weet dat dit probleem relatief gezien zo klein is. Het kost me weinig moeite om een eindeloze rij  mensen te bedenken bij wie de problemen zo ongelooflijk veel groter zijn. Wij hebben een huis. De vluchtelingen niet. Wij zijn gezond. Die en die en die persoon niet. Wij hebben…

Ja, wat missen we eigenlijk behalve die stroom?

Aha, daar is een eerste stap: Betrokken zijn op de mensen om me heen. Mensen in nood. Dáár de aandacht op richten.

Nog zo’n stap: zegeningen tellen. Met als grootste zegen God Zelf. Wij mogen zeggen: U bent onze God! Wat voor God? Heer der heren. Koning der Koningen.

Mijn probleem is nog niet opgelost. Net zoals de grotere problemen niet opgelost zijn wanneer we er een sticker opplakken met ‘God is goed’. We voelen lang niet altijd ‘vrede’ midden in onze kleine of grote problemen, ook al hebben we een God van vrede.

Het zou mooi zijn, maar ik geloof dat het niet hoeft. God laat ons worstelen zonder ons dat kwalijk te nemen. Of ons probleem nu klein of groot is. En tegelijkertijd zegt Hij: ‘Ik ken je wel. Inclusief je zwakheden en zonde. Maar… Ik zet Mijn geduld en Mijn goedheid daar tegenover.’

Ik worstel verder. En zie op Hem.

Rubrieken: Algemeen | 7 reacties