Mwanawalaya

Dat was erg schrikken, afgelopen zaterdag. Vrijdagmiddag had ik met één van de Safwa-vertalers de vertaling van een hoofdstuk uit Handelingen doorgenomen. Het team was zich aan het voorbereiden op de eindcontrole met een vertaalconsulent, en ik zou hen daarbij begeleiden. Zaterdag hoorde ik dat deze vertaler, Mwanawalaya, slachtoffer was geworden van een roofoverval en buiten kennis in het ziekenhuis lag.

Vrijdagavond was Mwanawalaya met zijn vrouw – hij is een half jaar getrouwd – naar een Bijbelstudie in hun kerk gegaan. Op de terugweg, rond acht uur ’s avonds, is hij in een donker steegje met een ijzeren staaf onder handen genomen. De details weet niemand precies. Hij werd kort daarna gevonden en direct naar één van de ziekenhuizen in de stad gebracht.

Op kantoor was iedereen maandag erg van slag. De Tanzaniaanse collega’s zijn altijd al bang om ’s avonds over straat te gaan – vorig jaar heeft een andere collega twee weken in het ziekenhuis gelegen na een roofoverval – en die angst zit er nu nog dieper in. Bovendien, Mwanawalaya was nog steeds niet bijgekomen en het was niet duidelijk hoe hij er aan toe was.

De afgelopen dagen kwam daar weinig verandering in. De artsen wisten niet goed hoe zijn situatie was. Ze hadden het plan om een röntgenfoto van zijn schedel te maken (een hersenscan behoort hier niet tot de mogelijkheden…), maar om een onduidelijke reden kwam het daar steeds niet van. Dus Mwanawalaya lag daar maar, vooral verzorgd door zijn vrouw en zijn vader en omringd door tientallen anderen. En zijn omgeving kon niets anders doen dan wachten tot hij bij zou komen.

Intussen is een ziekenhuis hier in Tanzania bepaald niet de ideale plek om te herstellen van een gewelddadige roofoverval. Om je heen het gekerm en geroezemoes van de tientallen anderen die in dezelfde zaal liggen. Tijdens bezoekuren is de zaal hutje mutje vol: de enige limiet voor het aantal bezoekers is de ruimte. Als werkelijk iedereen op elkaars tenen staat, begint één van de bewakers door de zaal te schreeuwen dat er bezoekers weg moeten gaan. Eerder niet. En van die bezoekers moet je het ook maar hebben. Een collega die er maandag bij was, vertelde dat er mensen aan Mwanawalaya’s bed stonden te schudden om hem ‘wakker’ te maken.

Vanmorgen is hij gelukkig weer bij gekomen. Tussen de middag ben ik even bij hem langs geweest, met drie collega’s. Het was het eind van het bezoekuur, dus al iets minder druk. Hij leek nog geen mensen te herkennen, maar reageerde wel als hij zijn naam hoorde. We waren dankbaar om samen rondom zijn bed voor hem te kunnen bidden. We zien dat hij langzaam vooruit gaat, maar realiseren ons ook dat hij nog een heel lange weg te gaan heeft. Wilt u met ons bidden voor een voorspoedig herstel? Bid ook voor zijn familie, die voor een heel belangrijk deel verantwoordelijk is voor zijn verzorging in het ziekenhuis.

Wilt u ook bidden voor de voortgang van het bijbelvertaalwerk in de Safwa-taal? We ervaren dat de duivel bezig is om Gods werk te verhinderen. Het werk in de Safwa-taal heeft de afgelopen jaren met veel tegenslag te maken gehad. Eind 2010, drie jaar nadat het werk in de andere teams was gestart, konden we eindelijk twee vertalers aantrekken. Sindsdien maakten deze vertalers goede voortgang, maar nu lopen ze weer flinke vertraging op. Bid dat Mwanawalaya er weer helemaal bovenop mag komen en zijn werk weer snel op kan pakken.

Gods Woord raakt harten!

Een aantal weken geleden is het Malila-team, één van twee teams die ik vooral begeleid, de Malila-dorpjes ingegaan om feedback te krijgen op hun vertaling van het boek Lukas. Bij de vertaling van dit boek zijn zij begeleid door een andere vertaaladviseur uit ons team, ikzelf was er niet direct bij betrokken. Maar ze kwamen terug met heel positief nieuws!

Ze vertelden dat ze met een aantal predikanten hadden gesproken die hen vertelden dat er dingen aan het veranderen zijn in hun kerken. Ze zijn begonnen Schriftgedeeltes die inmiddels vertaald zijn in de kerkdiensten te gebruiken, en de mensen zijn erg enthousiast. Veel mensen die dachten dat ze de Bijbel ook wel in het Swahili begrepen realiseren zich nu dat dat niet zo was. Nu ze het in het Malila horen begrijpen ze het pas voor het eerst. Oudere mensen die alleen Malila spreken zijn begonnen het te gebruiken in het gebed tijdens de dienst.

De predikanten vertelden ook dat de vertaalde Schriftgedeeltes veel interesse wekken voor het doen van Bijbelstudies. In Bijbelstudiegroepen waren er mensen die nooit meededen, maar nu voelen ze zich vrij om mee te doen omdat er veel meer gebruikt wordt van hun eigen taal. Steeds meer mensen willen leren lezen, zodat ze ook in hun eigen taal kunnen lezen. En – vertelden de predikanten – dat kunnen we ook zien: het is alsof er een opleving in de kerken plaatsvindt. Sommige mensen die zelf geen christen zijn komen naar de kerk omdat ze daar de kans krijgen iets in hun eigen taal te lezen.

We zijn erg blij en dankbaar met deze feedback! Gods Woord doet kracht en raakt de harten van mensen. Alle eer aan Hem!

 

Ilembo, het belangrijkste dorp van het Malila-gebied

Ilembo, het belangrijkste dorp van het Malila-gebied

De tel kwijt…

Een praktisch probleem waar alle talen in ons project mee worstelen is het getallenstelsel: In hun eigen taal bestaat een ingewikkeld vijfcijferig systeem, maar voor praktische redenen is vooral de jonge generatie leenwoorden uit het Swahili gaan gebruiken om te tellen (overigens had het Swahili ooit hetzelfde probleem en heeft op haar beurt weer uit het Arabisch geleend). Maar de oude generatie vindt het belangrijk dat het oude getallenstelsel gebruikt wordt, want dat is écht iets van hun taal en hun cultuur. De ‘taalcomités’ voor de talen hebben hierin elk hun eigen keuze gemaakt, maar niet alle vertalers zijn even blij met die keuze.

Één van m’n collega-vertaaladviseurs vertelde vanmiddag dat ze met een vertaalteam bezig was een tekst te controleren waarin het getal tweeënzeventig voorkwam. Dat leidde tot de volgende converstatie, met toestemming van haar overgenomen…

So I was checking some Nyakyusa translation where they were supposed to have the number seventy-two:

Me: So what number does it say in Nyakyusa?
Translator 1: Seventy.
Translator 2: Fifty-two.
Me: Well, whichever of those it is, it’s wrong. It should say seventy-two.
Translator 2: Wait, that’s what it says.
Translator 1: No it doesn’t.
Translator 2: Yes, it does.
Me: Are you sure?
Translator 1: It says seventy.
Translator 2: So how do we say seventy-two?
Me: Why are you asking me? You’re the Nyakyusa.
Translator 2: It’s so confusing without using your fingers.
Me: I think you need to add a bit more at the end of the phrase, although it makes the sentence pretty long.
Translator 2 (typing, and very annoyed): Well, maybe when everyone sees the length of this sentence, they’ll let us get rid of this ridiculous counting system.

 

Ikke pikke porretje

Jonathan glimt. Terwijl we met z’n allen gezellig koffie drinken op de veranda, priemt hij met z’n vinger: ‘Ikke pikke porretje, de meester heeft een snorretje…’ Helaas, opa is af. Het versje begint weer van voor af aan maar nu mag opa niet meer mee doen.

We kijken terug op twee bijzonder fijne weken samen met onze (schoon)ouders, pa en ma Karels. We hebben er allemaal enorm van genoten. Er is zoveel over te schrijven, dat ik niet eens goed weet waar ik beginnen moet. Het begon eigenlijk direct al toen ze aankwamen. Terwijl wij met onze auto naar de simpele airstrip reden – vijf minuten bij ons huis vandaan – zagen we opeens het kleine vliegtuigje al laag overvliegen. ‘Daar zijn ze al!!!’ Met een vaart reden we – hobbel de hobbel – over de onverharde weg en toen we aankwamen was het MAF-vliegtuig al geland. Hij reed met een sierlijke boog onze kant op. Toen het vliegtuig stilstond, konden we er zo naar toe rennen. Eerst stapte de piloot uit en toen… Daar stak opa’s hoofd uit het kleine deurtje! En even later oma. Hoe is het mogelijk! Werkelijk een ontroerend moment.

Het voelde voor iedereen direct vertrouwd. Zelf voor Joël. Oma pakte hem uit de buggy zodra ze hem zag. Hij keek haar even aan en legde toen heerlijk vertrouwd z’n koppie tegen haar schouder.
Eenmaal thuis begonnen we al snel met koffers uitpakken. Dat was natuurlijk erg leuk. Hagelslag, kaas, pasta, slagroom, chocola, macaronimix, koek, drop… Wat lekker wat lekker! En dan nog schoolspullen, kleren, schoenen, en nog een hele reeks aan huis, tuin en keukenspulletjes. Geweldig!

Maar het meest genoten we van het samenzijn. We konden echt fijn bijpraten. En het was heerlijk dat ma hielp met strijken, was ophangen, kinderen vermaken en ga zo maar door. De kinderen konden ook echt de band met opa en oma weer aansterken. Oma bleek een echte spelletjes-en-versjes-oma. Het ene na het andere (opzeg)versje rolde zo uit d’r mond en vooral Jonathan genoot daar erg van. Nu ze weg zijn horen we de jongens nog dagelijks op elk willekeurig moment allerlei versjes opzeggen of zingen: ‘Daantje wou naar school toe gaan’, ‘Ikke pikke porretje’, ‘Tik, tik hamertje; wie zit er in dat kamertje?’, ‘Onder moeders paraplu’, ‘Om een uur of zes’.

Als de jongens het lange rijden in de auto zat werden, dan toverde oma een pepermuntje te voorschijn en –jawel!- dan bedacht ze weer een leuk spelletje. ‘Zullen we doen wie het langste het pepermuntje in z’n mond kan houden?’. Ik genoot dan op mijn beurt weer van de glunderende gezichtjes.

Opa bleek een fantastische timmerman-opa te zijn. Samen met Jacob heeft hij een heuse reuze klimtoestel gebouwd in de tuin. Met een echte wiebelbrug. Jacob en pa hebben er heel wat uurtjes tijd in gestoken en het was nog een hele uitdaging, met alleen ‘lokale’ materialen. Maar het resultaat mag er zijn. De kinderen genieten er elke dag van.

Verder hebben we natuurlijk alle mooie plekjes in de buurt laten zien. Wat dat betreft kwamen pa en ma op het juiste moment van het jaar, want nu in het regenseizoen is alles prachtig groen en fris. Het was natuurlijk ook leuk om iets van ons dagelijkse normale leven te laten zien. Jacob’s werk, de stad, de markt, de politie, de tuinman en de househelp. Het was grappig hoe pa en ma met veel expressie en weinig woorden een ‘gesprekje’ voerden met bijvoorbeeld de tuinman. Volgens mij kwam het uiteindelijk gewoon hierop neer: ‘Hallo, hallo, leuk om u te zien, oke oke’.

En toen gingen ze weer. Loslaten dus. Dat was moeilijk. Toch overheerste gelukkig de blijdschap en de dankbaarheid voor de goede tijd die we samen mochten hebben. En – niet te vergeten – helpt het vooruitzicht dat we de komende vier maanden een erg lieve juf Gerhilde hebben die ons helpt met de home-schooling. Daarover schrijven we de volgende keer!

Klik op de link hieronder voor wat foto’s van het bezoek van opa en oma.

januari 2012

Regen

Het regent. Wat zeg ik? Het regent niet, het giet! Al dagen achter elkaar. Het regenseizoen overtreft zichzelf…
In het begin is dat bijzonder en heel fijn. De afgelopen weken zagen we overal om ons heen de mensen met hun handploegjes hun land klaar maken om te kunnen zaaien. En inmiddels zien we overal groen omhoog komen. Het is wonderlijk hoe snel alles zo groen kan worden. Ook het gras in onze tuin en de bomen en planten zien er prachtig uit.
Ook voor de jongens is de regen een nieuw speelevenement. Af en toe laat ik ze maar gaan: regenjassen aan, laarzen aan, paraplu op en hopla… de stromende regen in. En natuurlijk door de plassen stampen. Dat werkt hier trouwens anders dan in Nederland. In Nederland is alles keurig bestraat en heeft elke straat een putje waar het water heen stroomt. Hier om ons heen is niks bestraat, zelfs de hele buurt niet. En omdat ons huis net onderaan een heuvel ligt, stroomt al het water de heuvel af, dwars door onze tuin. Na een hevige stortbui betekent dat een kolkende rivier die achter onze tuin binnenkomt, naast ons huis door de tuin verder stroomt en dan voor het huis een enorme plas veroorzaakt. Een heus zwembad voor de kinderen van zo’n 30 a 40 centimeter diep. Na een uur komen ze dan drijfnat binnen. ‘Vooruit maar…’ denk ik dan. Snel de boel uitknijpen en ophangen. Afdrogen en schone kleren aan. Ze hebben weer een leuke middag gehad!

De regen heeft ook z’n minder leuke kanten. Zoals afgelopen zondag. Het was zo’n ontzettende regenbui dat het water onder de deur van onze keuken binnenkwam stromen; zo de gang en de eetkamer in. Gelukkig konden we het met handdoeken redelijk onder controle houden. Vervelender was dat de pomp in de tuin – die er voor moet zorgen dat er genoeg druk staat op de kranen zodat we kunnen douchen en de was kunnen draaien – onder water kwam te staan. Gevolg: kortsluiting. Dus vier dagen geen wasmachine en douche en een dag zonder water.
Een ander probleem is de muur om ons huis. Bij het bouwen van dezer muur maakte men gebruik van een cement-modder mengsel. In het begin vooral cement, toen dat opraakte vooral modder. Dus voor het bovenste gedeelte heeft men vooral modder gebruikt. Door de regen verdwijnt de modder tussen de stenen. We zien de muur om ons heen afbrokkelen en er ontstaan gaten in de muur. Nog even en de muur zal het begeven .

De wateroverlast is hier niet alleen in Mbeya. Ook andere delen van het land kampen ermee. In Dar es Salaam is er veel onder water gelopen en veel beschadigd. De grote doorgaande weg is geblokkeerd. We begrepen dat er op het moment ook geen post van en naar Dar es Salaam wordt doorgestuurd. Dus ook onze kerstpost laat op zich wachten…

Toch is dat allemaal nog tot daar aan toe. Mensen om ons heen hebben met veel grotere problemen te maken. Huizen in de armere wijken zijn ingestort en mensen zijn op de vlucht geslagen. Zo vertelde onze ‘fundi bomba’ (loodgieter) dat hij na zondag drie dagen in het bos had rondgezworven. En de tuinman kwam maandag vrij vragen omdat er vier familieleden zoek waren geraakt. Dinsdag kwam hij terug: ‘niks gevonden’. Ook van anderen hoorden we dat er mensen zijn omgekomen in het noodweer.

Steeds weer worden we ons er van bewust hoe kwetsbaar de mensen hier zijn en hoe afhankelijk hun bestaan is van de natuur. Te weinig regen betekent geen oogst. Te veel regen zorgt voor een mislukte oogst. Én het zorgt voor allerlei bijkomende problemen die soms zo verstrekkend zijn. We bidden voor de mensen om ons heen. We bidden dat de regen een ‘vruchtbare’ regen mag zijn, zodat ze over een paar maanden hun oogst kunnen binnenhalen.

Community test

Afgelopen week zijn de Nyiha-vertalers een weekje in hun taalgebied geweest om hun vertaling van het boek Openbaring te ‘testen’. Zo’n test is een van de standaardprocedures in het vertaalwerk om te controleren of mensen de vertaling goed begrijpen. Want een ‘getrouwe overzetting’ van de Bijbel betekent dat Gods Woord voor mensen van nu net zo begrijpelijk moet zijn als voor mensen van toen. Zo mag een uitdrukking als ‘Ik kom als een dief’ voor het publiek van Johannes begrijpelijk zijn geweest, maar het is de vraag of ‘tie bij Nyiha-lezers van nu de juiste associaties oproept. En dat is precies wat de vertalers tijdens zo’n ‘community-test’ helder willen krijgen.

Voordat de vertalers op pad gingen, stelden ze per hoofdstuk een reeks vragen op over kwesties die ze ter sprake wilden brengen. Die vragen heb ik vervolgens met ze doorgenomen. Dat is meteen weer een mooi moment om hen wat verdere training te geven: een vraag als ‘noem eens drie van de zeven gemeenten in Klein-Azië’ is natuurlijk een goeie vraag, maar niet om de begrijpelijkheid van een Bijbelvertaling te testen. Gewapend met die vragen gingen we vervolgens op pad.

‘We’, want ik had besloten om een dagje mee te gaan. Voor één van de vertalers was dit de eerste keer (hij is nog maar een half jaar bij ons in dienst), dus het leek me goed om een stukje begeleiding te geven. Ook voor mezelf weer een leuke gelegenheid om de mensen in het Nyiha-gebied te spreken.

Het Nyiha-gebied is gelukkig niet ver van Mbeya vandaan, dus met anderhalf uur rijden – waarvan de helft op onverharde wegen –  waren we op de plek van bestemming. De vertalers hadden besloten een gebied op te zoeken waar ze nog niet eerder geweest waren en waar veel mensen ook nog niet weten van het Bijbelvertaalwerk dat aan de gang is. Zo is zo’n community test meteen een stukje PR – voor de vertalers altijd weer heel mooi om te zien met hoeveel vreugde en enthousiasme hun werk begroet wordt!

Vanaf het moment dat we uit de auto stapten verliep alles op een manier die ik als westerling alleen maar met de nodige dosis verbazing kan gadeslaan: iedereen blijkt zomaar opeens midden op de dag alle tijd van de wereld te hebben om een paar volslagen vreemdelingen een paar uur te woord te staan en te helpen bij het doornemen van hun vertaalwerk. De eerste man die we aanklampten was een fietsenmaker, maar hij kon ons niet verder helpen: hij sprak wel Nyiha, maar hij was van een andere stam en was dus geen moedertaalspreker. Maar intussen stonden er al drie andere mensen om ons heen en een meisje had al een kopie van Openbaring in haar taal in handen weten te krijgen. Hortend en stotend begon ze te lezen, giechelend bij de ervaring haar eigen taal op schrift te zien staan. En toen was het hek van de dam: binnen een minuut stonden er twintig mensen om ons heen en hadden de vertalers al hun organisatietalent nodig om de meeting in goede banen te leiden.

Tien minuten later was het eerste enthousiasme wat weggeëbd en zaten we met een klein clubje op een bankje in de schaduw ons werk te doen. Vers na vers liepen we de eerste hoofdstukken van Openbaring door en vuurden de vertalers hun vragen op het leespubliek af. En dat hielden we zo twee-en-een-half uur vol. Ik was de enige van het gezelschap die een horloge had, maar ik leek ook de enige te zijn die zich om de tijd bekommerde. Zelf ging ik aan het eind van de dag weer terug naar Mbeya, de vertalers trokken verder naar een volgend dorpje en hebben zo een week in het gebied rondgezworven.

Vanmorgen waren ze weer terug op kantoor. Dankbaar voor de goede ontvangst van Gods Woord in het taalgebied, en met goede ideeën om de vertaling nog beter te maken. En daar zijn ze vanmorgen direct mee aan de slag gegaan: zo blijkt een uitdrukking als ‘boek des levens’ een voetnoot ter verduidelijking nodig te hebben. Voor ‘een kwart’ blijken mensen de oude Nyiha uitdrukking niet meer te kennen en kunnen we dus beter een Swahili-leenwoord te gebruiken. En voor een pantser (de vertalers hadden het omschreven als een ‘ijzeren kledingstuk om pijlen en speren mee af te weren’) bleek een Nyiha-woord te bestaan waar de vertalers zelf zo gauw even niet opgekomen waren. En zo zijn we vandaag weer de hele dag aan het ‘schaven’ geweest. Over vier weken komt er een vertaalconsulent naar Mbeya om het eindproduct met de vertalers door te nemen. Weer een volgende stap in de vertaling van Gods Woord voor de Nyiha-mensen!

 

En klik hier voor een klein filmfragment van de Community test.

Oom Tom

We maken soms lastige en moeilijke dingen mee, maar er zijn ook momenten dat we erg genieten hier. Een dagelijkse zonnestraaltje in ons leven is oom Tom. Oom Tom is onze 76- jarige oude tuinman. Voor Nederlandse begrippen is dit al aardig oud, maar als we bedenken dat hier de gemiddelde levensverwachting rond de 48 jaar is, dan is zijn leeftijd nog heel wat indrukwekkender.

Voordat oom Tom bij ons zijn baan als tuinman kreeg, had hij geen werk. Hij probeerde aan werk te komen zoals zoveel mensen dat proberen: op straat lopen of langs de wat rijkere huizen en dan gewoon vragen: ‘Heeft u alstublieft werk voor mij?’ Op deze manier staan er regelmatig mensen bij ons aan de poort. Oom Tom had geluk. Wij zochten net een tuinman op het moment dat we hem voor het eerst tegenkwamen. Hij had wat verfrommelde, oude papieren van vorige werkgevers als bewijs van goed gedrag. Op zo’n moment is dat heel zinvol, want als je een tuinman in dienst neemt, wil je wel graag weten of het een betrouwbaar en geschikt persoon is. De vorige werkgevers waren vol lof. Er waren alleen wel twee nadelen: hij was zijn hele leven kok geweest en had dus geen ervaring als tuinman. Verder was hij dus al behoorlijk oud. (Al schatten wij hem op dat moment achterin de vijftig. Pas later ontdekten we hoe oud hij in werkelijkheid was). Maar goed, hij kwam heel positief bij ons over dus we besloten om het op z’n minst te proberen. Toen we ons besluit aan oom Tom lieten weten, straalde hij met zo’n enorme stralende lach, dat we hem al snel in ons hart sloten. Om te laten merken hoe blij en gelukkig hij was, wilde hij ons een ‘zawadi’ geven, een cadeautje. Hij drukte ons vol trots een verfomfaaide Engelse gebruiksaanwijzing van een Nokia-mobieltje in de hand. We bedankten hem hartelijk en vertelden hem maar niet dat we daar werkelijk niks mee konden…
We zijn nu ruim anderhalf jaar verder en oom Tom loopt nog steeds om ons huis voor drie dagen per week. Om eerlijk te zijn hebben we regelmatig overwogen om hem te ontslaan. Het probleem is namelijk dat hij heeeel erg langzaam werkt en heel weinig verstand heeft van tuinieren. Daartegenover staat dat hij goudeerlijk is, altijd in is voor een praatje, heel trouw en ijverig én dat hij over van alles en nog wat iets weet. Vooral vanwege dat laatste heeft hij ons al heel wat diensten bewezen. Hij weet de nieuwtjes, hij weet precies waar je van alles kunt kopen en hij weet wat normale prijzen zijn. Hierdoor heeft hij al heel wat klusjes voor ons kunnen doen. Zo langzamerhand is hij dan ook meer onze klusjesman dan onze tuinman geworden. Zo heeft hij pas voor mij alle ramen gezeemd. En netjes dat hij dat doet! Met een oud hemd en zonder sopje weet hij het schoner te krijgen dan ik met mijn westerse spons en zeem voor elkaar zou krijgen.
Pas geleden kwam hij op zaterdagmorgen nog even langs om iets op te halen. Op zijn gammele fietsje, een klein doosje op zijn achterrek en daarin een zojuist gekochte levende kip. Het kostte onze hond Simba slechts enkele minuten om lucht te krijgen van deze kip. Met een paar sprongen was hij bij de fiets. Voor de kip werd het doosje iets te benauwd dus het duurde niet lang of de kip rende door de tuin, de hond er achteraan, op de voet gevolgd door een luid roepende en rennende oom Tom. Vervolgens kwam Jacob ook in actie zodat even later de kip weer achterop de fiets in het doosje zat. Ik kon vanachter het raam meegenieten.

Een paar dagen later zag ik oom Tom bezig om zijn schoonmaakdoeken aan een waslijntje te laten drogen. Nou ja, eigenlijk zijn het geen echte schoonmaakdoeken maar oude hemden van mij. (Helaas worden die hier door onze slecht functionerende wasmachine erg snel oud: er komen gaten in en ze rekken enorm uit). Toen ik zag hoe allerbelabberdst zijn schoonmaakdoeken er aan toe waren, dook ik in m’n kast en….ja hoor, ik vond al snel een hemd van prima als schoonmaakdoek gebruikt kon worden. Maar toen ik het hemd aan oom Tom gaf en hem uitlegde waarvoor hij het kon gebruiken, keek hij me bijna verbijsterd aan. Waaat?? Zo’n mooi hemd als schoonmaakdoek gebruiken? Hij hield het hemd demonstratief voor zich: ‘Kijk, het is precies mijn maat!’. En ja, hij had gelijk. Een paar dagen later keek ik eens goed naar oom Tom: zag ik het nu goed? Kwam daar nu werkelijk een vriendelijk wit kanten randje tevoorschijn vanonder zijn groezelige bloes?
Er is één lastig punt. Oom Tom vraagt heel vaak om geld. En wat doe je dan? Geef je het hem of niet? We snappen hem wel. Hij denkt: ‘Blanken hebben geld. Ik werk voor blanken. Dus vraag ik om geld’. Bovendien: voor Nederlandse begrippen is het standaardloon voor een tuinman of klusjesman laag. Het wordt nog eens extra lastig als hij vertelt dat hij geld nodig heeft om eten te kopen. Dus dan maar wat geven?? Maar wat doen we dan met onze (andere) tuinman die ook heel ijverig is en goed werkt, maar die niet om geld vraagt?
Dit blijven lastige vragen. We proberen er een weg in te vinden. Bijvoorbeeld door regelmatig groente en fruit mee te geven, of wat vlees. Op deze manier proberen we op kleinschalige manier mensen zoals oom Tom te helpen. Hij blij en wij blij!

Stroomuitval

Vlug… snel de wasmachine aan. Er is stroom!
Een half uur later: Geen stroom. De wasmachine staat uit. Met een laagje water en natte kleren van het kwartiertje dat er stroom was. Vervelend, maar we houden de moed er in. Misschien is er over een half uur weer stroom. Dan proberen we het gewoon nog een keer.

We zijn weer terug in Mbeya. Na een heel voorspoedige reis met het MAF-vliegtuigje vanuit Dar es Salaam zijn we behouden aangekomen. We werden hartelijk ontvangen op het vliegveld door enkele van onze collega’s en toen we thuis kwamen kwam een stralende tuinman ons tegemoet. Het voelde als een warm welkom en dat voelde erg goed. Intussen zijn we een paar weken verder en krijgen we het ritme van het Afrikaanse leven al weer aardig te pakken.
Bij aankomst vielen we met onze neus in de boter: Vanaf het begin zitten we hier met erg veel stroomuitval. Dat betekent zo’n 50 tot 80 uur per week geen stroom. Er is een soort ‘stroomschema’: de ene dag hebben we overdag geen stroom, de andere dag ’s avonds. Maar helaas klopt het schema bijna nooit. Vandaag stond ‘geen stroom’ op de planning, maar zomaar opeens was het er een paar uurtjes. Vanavond dus wel stroom. Maar ’t is er al vijf keer af geweest. Het maakt het huishouden soms behoorlijk ingewikkeld. Voor het douchen, strijken, de koelkast, de computer en de wasmachine zijn we helemaal afhankelijk van de stroom. En vanaf zeven uur ’s avonds is het hier donker dus dan hebben we ook voor het licht stroom nodig.

Zo goed en zo kwaad als het kan proberen we het onaangename van de stroomuitval tot een minimum te beperken. Vanuit Nederland hebben we dikke kaarsen van de IKEA meegenomen en verder nog een paar lampjes die op zonne-energie werken. Dat scheelt al een hele hoop. Overdag liggen de lampjes keurig op een rijtje buiten in de zon te blaken en ’s avonds zijn ze voldoende opgeladen om weer voor een paar uur licht te zorgen. En als we ’s avonds naar de wc, de keuken of de slaapkamer willen, gebruiken we koplampjes van de Xenos. Die zijn zelfs zo ingenieus dat ze behalve het gewone licht ook knipperlicht kunnen geven. Dus af en toe kom ik Jacob ’s avonds al knipperend en flitsend in het donker tegen. Zelfs de jongens hebben hun eigen piepkleine kinderzaklampjes – toevallig in Nederland een keer gekregen – van nog geen drie centimeter groot. In de vorm van een race-auto en tennisracket.
Pas hoorde ik een leuk gesprekje tussen Jonathan en Lukas: ‘Luuk, wil je even met je zaklampje meelopen naar de wc want ik moet plassen. En dan kan ik mijn eigen zaklampje niet vasthouden’. Vervolgens liepen ze met hun lampjes in het pikkedonker richting wc waar Lukas zijn grote broer netjes bijscheen. Het gaf net voldoende licht om keurig in de pot te plassen. Daarna liepen ze samen naar de wastafel en Lukas scheen weer netjes bij voor het handenwassen. Lukas is zelfs zo zuinig op z’n lampje dat hij het de hele dag om z’n nek in een klein tasje draagt. Erg grappig.

Het meest lastig vind ik de wasmachine en de douche. Daarvoor is niet alleen stroom nodig maar ze hebben ook nog eens allebei dezelfde boiler nodig voor warm water. En voor een warme boiler hebben we zeker 6 uur stroom nodig. Dus eerst is er stroom nodig om de boiler warm te maken. Vervolgens moet ik kiezen – als de stroom er dan tenminste nog is: of we wassen onszelf onder de douche met warm water of ik was de kleren. Lastige keuze is dat.

De stroomuitval is niet alleen voor onszelf erg lastig; de hele economie van het land gaat er aan ten gronde. En dat maakt de situatie een stuk ernstiger. Helemaal omdat het ministerie van energie onlangs aankondigde dat de problemen nog tot 2030 aan zullen houden. Tanzania is voor haar energie voor een heel belangrijk deel afhankelijk van waterkrachtcentrales. Meestal levert dat aan het eind van het droge seizoen – zo rond oktober, november – behoorlijke tekorten op. Dit jaar heeft het regenseizoen erg kort geduurd en is er aan het begin van het droge seizoen al een ernstig tekort aan water, en dus aan energie. Zodra in november de regens weer komen, begint de energievoorraad ook weer aan te trekken.

We proberen onze stemming er niet al te veel door te laten beïnvloeden. Om eerlijk te zijn: dat lukt niet altijd. Soms zijn we zo aan het brommen en mopperen dat we onszelf weer even tot de orde moeten roepen. Op andere momenten trekken we ons er niks van aan en dan denken we: laat die stroom z’n gang maar gaan. Wij houden het hier – hoe dan ook – gewoon gezellig!

Afscheid

[Onderstaand weblog schreef ik woensdag. Afgelopen dagen hadden we weinig stroom en internet. Vandaar dat het even duurde voordat we dit weblog konden plaatsen…]

Terwijl de ventilator boven me op op volle toeren draait om onze body een beetje koel houden, probeer ik ondertussen deze dagen m’n hoofd koel te houden. De ventilator redt het helaas niet: Het zweet loopt in straaltjes langs m’n lijf. En m’n hoofd heeft er af en toe ook wat moeite mee… Welkom terug in Tanzania!
Afgelopen maandag, op Jacobs verjaardag, zijn we vanaf Schiphol vertrokken naar Heathrow om van daar verder te vliegen naar Tanzania. We zijn nu halverwege onze reis. Dat wil zeggen: We zitten nu in Dar es Salaam en morgen vertrekken we met een MAF-vliegtuig naar Mbeya. De reis is tot nu toe voorspoedig verlopen. We kunnen goed merken dat Jonathan en Lukas ouder worden en dat ze daardoor zo’n flinke reis ook veel beter oppakken dan twee jaar geleden. Ze doen het heel goed! Voor Joël is het wel echt pittig. De kleine puk weet werkelijk niet wat hem overkomt. En dat weet hij ook erg goed te uiten. Tjonge, wat kan dat ventje krijsen zeg! Ik zie mezelf weer lopen op het vliegveld in Londen: terwijl de mensen om me heen ape-relaxed toekijken (ze hebben alle tijd natuurlijk) probeer ik al sussend en zingend rondlopend Joel te kalmeren. Ik voel ze denken: ‘Ja meisje, hoe ga jij zo’n schreeuwend ventje weer stil krijgen??’ Ondertussen spreek ik mezelf toe: rustig blijven, gewoon doorlopen, even doorbijten nu…
Nee, zo’n reis is voor Joël niet ideaal. Daarom zien we er des te meer naar uit om straks weer in ons eigen huis het gewone leven weer op te pakken. Reinheid, rust en regelmaat. Het zal hem zeker goed doen. En ons ook.

De oma's nemen afscheid



Lukas onderweg naar het vliegtuig



Joël onderweg naar het vliegtuig



Joël in de reiswieg in het vliegtuig

De laatste week in Nederland hebben we nog heerlijk een weekje gelogeerd in Veenendaal, bij onze (schoon)ouders. We hebben er allemaal van genoten. Jonathan en Lukas maakten van oude kleden in de tuin een heuse tent, ze bouwden een klasje na van alle kleine tuinstoeltjes en mochten lekker likken toen oma een cake bakte. Kleine Joël genoot van de rust en heeft heerlijk veel geslapen. Ondertussen waren Jacob en ik druk bezig om alle koffers in te pakken. Elke koffer (het waren er negen in totaal) mocht niet meer dan 23 kilo wegen. Een hele puzzel! Maar ’t is gelukt.

Oma helpen met bakken

Afscheid nemen is niet leuk. Zeker niet als je ervaart hoe belangrijk familie, vrienden en de kerk voor je persoonlijk leven is. En dat hebben we in deze afgelopen maanden van verlof heel sterk ervaren. Toch is er ook heel duidelijk een keerzijde: Onze plek en ons werk ligt op dit moment niet in Nederland maar hier in Tanzania. Hier ligt onze roeping. Juist de achterliggende tijd, terwijl we steeds weer konden vertellen over ons werk, beseften we ook zelf weer hoe belangrijk het bijbelvertaalwerk is en hoe mooi ook! Daarom is het ook goed om weer terug te gaan. En niet alleen voor het werk, maar ook voor de rust en de stabiliteit in het gezin. Met nieuwe moed en energie hopen we onze taak weer op te pakken.
Vanaf nu hoop ik het weblog weer bij te gaan houden. Er zal vast weer genoeg te schrijven zijn!

Nieuwsbrief 13

En hier is onze 13e nieuwsbrief